Wat me vooral is bijgebleven na het lezen van Joris Luyendijks Dit kan niet waar zijn, is dat de drijfveer van de meeste bankiers niet om hebzucht is – een punt dat Luyendijk vaak herhaalt – maar angst. Angst voor gezichtsverlies, angst voor baanverlies, en soms angst om veel, heel veel geld te verliezen.

Angst beheerst niet alleen bankiers in de Londense City, maar ook, gemerkt en ongemerkt, ons aller dagelijks bestaan. Denk bijvoorbeeld aan de haast paranoïde toestand die sinds de aanslagen van 9/11 in de luchtvaart is gecreëerd: zwaarbewapende marechaussees op vliegvelden, de eindeloze veiligheidschecks, inclusief een full-bodyscan, geen vloeistoffen aan boord en een beveiligde cockpit; allemaal bedoeld om het risico op een ongeluk of een aanslag zo veel mogelijk te beperken.

De beangstigende zelfmoordactie van Andreas Lubitz bewees dat onmogelijk elk risico kan worden voorkomen. Ironisch genoeg was het juist zo’n veiligheidsmaatregel die de copiloot in staat stelde om zijn daad te volbrengen. Maar wat was de reactie van zowel beleidsmakers als veel luchtvaartmaatschappijen? Juist: nóg meer controle, nóg meer regels.

 ***

Voor bijna alle bankiers in Dit kan niet waar zijn was 15 september 2008 een angstig moment. Destijds ging de impact van het faillissement van zakenbank Lehmann Brothers grotendeels aan mij voorbij, maar onder insiders was de paniek die dag enorm. Een ramp, een catastrofe. Te vergelijken met de aanslagen van 9/11 of, in eigen land, de moorden op Fortuyn en Van Gogh. In Dit kan niet waar zijn vertellen verschillende zakenbankiers over wapens die op die septembermiddag in 2008 uit voorzorg werden ingekocht, dat zij plannen maakten om hun familie uit Londen naar het platteland te evacueren, en dat zij naar huis belden met de opdracht om water en voedsel te hamsteren. Volgens Luyendijk kunnen we echter beter spreken van een bijna-crisis, omdat de financiële sector met staatssteun gered is van een werkelijke crisis.

Zoals na elke ramp of bijna-ramp riepen politici, toezichthouders en beleidsmakers om meer regels en meer controle. Het toezicht op de bankensector heeft echter weinig indrukt gemaakt, zo blijkt wel uit de interviews in Dit kan niet waar zijn. Controlerende instanties en boekhouders zijn afhankelijk van cijfers die de banken en verzekeraars zelf aanleveren, maar veel financiële producten zijn zo complex dat banken zelf nauwelijks de waarde ervan kunnen inschatten. Bovendien zijn de grootste banken zulke kolossale organisaties, dat de eigen accountants nooit één eenduidig beeld over de bezittingen, leningen en risico’s kunnen geven.

Resultaat is een paradoxale situatie waarin politici en toezichthouders aan de ene kant een schijnzekerheid veinzen – door bijvoorbeeld ‘stresstests’ – terwijl banken en bankiers onverminderd risicovolle beleggingen en investeringen doen, en onverminderd complexe financiële producten verkopen.

 ***

Twee problemen vergiftigen, afgaande op Luyendijks boek, de financiële sector. Allereerst de samenstelling van banken, waarin particuliere en zakendivisies zijn verenigd. Een huis-tuin-en-keukenhypotheek die door een particuliere bankier wordt afgesloten, kan nu door zijn collega bij de zakendivisie worden verpakt in een financiële constructie en worden doorverkocht aan een andere bank, waarbij winst of verlies afhangt van stijgende of dalende rentepercentages. De huis-tuin-en-keukenhuiseigenaar heeft hier geen last van, totdat zijn of haar bank failliet dreigt te gaan door de financiële producten die gebaseerd zijn op zijn of haar hypotheek. Door de zakelijke en particuliere activiteiten van elkaar te scheiden, zou de zakendivisie van een bank failliet kunnen gaan, zonder dat de particuliere hypotheekeigenaar daar de gevolgen van heeft.

De samensmelting van zakendivisies en particuliere activiteiten is meteen het tweede probleem. Na jarenlange fusies zijn de grootste banken, ook in Nederland een ‘systeembank’ geworden. Als zo’n instelling failliet zou gaan, dan verliezen niet alleen miljoenen spaarders, maar ook duizenden bedrijven, pensioenfondsen en overheden hun geld. Door de omvang van de huidige banken is het grootste risico voor een bank, faillissement, door de staat afgedekt.

Als de ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith beperkte de dreiging van een faillissement bankiers jarenlang om al te exorbitante risico’s te nemen. Van oudsher waren de directeuren van een bank ook de eigenaren, die dus persoonlijk belang hadden bij een winstgevend maar evenwichtig beleid van hun bankiers.

Tegenwoordig voelen managers noch ‘C’s’ (de afkorting voor de topbestuurders, verwijzend naar de Chief Executive Officer of Chief Financial Officer) nog veel binding met een bank, laat staan dat het management tevens grootaandeelhouder is. Dealmakers uit de City die Luyendijk interviewde zagen vaak meer verwantschap met bankiers van een andere bank die het zelfde werk deden, dan met collega’s van een andere afdeling van de eigen bank. Door een baanzekerheid van likmevestje – die in Nederland gelukkig iets beter is geregeld – wisselen City-bankiers van werkgevers met een regelmatigheid van Engelse voetbalcoaches. Maar weinigen voelden zich dan ook verbonden met (en dus verantwoordelijk voor) ‘hun’ bank.

Het evenwicht in de financiële sector lijkt dan ook alleen hersteld te kunnen worden door risico’s beter over zowel klanten, bankiers als banken te verdelen. Banken, en dan vooral de zakendivisies, moeten failliet kunnen gaan net als ieder ander bedrijf. Om klanten aan te sporen bewuster te kiezen voor een bank, zou de overheid voor een beperkt bedrag, zeg €50.000, garant moeten staan – alles daarboven verliezen particulieren en bedrijven bij een eventueel faillissement. Beleggingen en investeringen van instellingen en (semi-)overheden die eigenlijk ‘to big to fail’ zijn, zoals een gemeente, pensioenfonds, scholengemeenschap of woningbouwvereniging, zouden aan strenge regulering onderhevig moeten zijn.

***

Niet alleen bij banken en in de financiële sector zit iets scheef in de risicoverhouding. De huidige Westerse samenleving wordt al vanaf de jaren tachtig door sociologen als Ulrich Beck en Anthony Giddens beschreven als een risk society.

We worden enerzijds geregeerd door onzekerheid: bijvoorbeeld over het milieu, over de economie en de gezondheidszorg. Zullen de Grieken hun leningen ooit terugbetalen? Zakt Groningen langzaam richting de Middle Earth als we nog langer doorgaan met gasboringen? En wat zijn de schadelijke effecten van chloorkip, die als het TTIP akkoord geratificeerd wordt in Europa is toegestaan? Vragen waar onmogelijk een eenduidig antwoord op te geven is.

Aan de andere kant wordt er door media en politici veel waarde gehecht aan de mening van ‘experts’ die wijze woorden spreken over de onvermijdelijke onzekerheden in ons bestaan. Economen van het CPB voorspellen jaarlijks met een schijnnauwkeurigheid de ontwikkelingen van de economie – op basis van discutabele berekeningen, zo liet Mirjam de Rijk onlangs in De Groene Amsterdammer zien. Ook de kosten van grote bouwprojecten worden vaak met een hoge schijnnauwkeurigheid begroot, bijvoorbeeld de 1,4 miljard euro voor de Noord/Zuidlijn, waarvan Amsterdam 317 miljoen zou betalen. Op zo’n megabegroting is 317 miljoen zó precies, dat eigenlijk van te voren al vast staat dat het bedrag in werkelijkheid wel hoger of lager moet uitvallen.

De voorspellingen van experts zijn van grote waarde in het politieke debat. Job ‘ik heb die cijfers even niet paraat’ Cohen verloor in 2010 praktisch de verkiezingen omdat hij, in tegenstelling tot zijn collega’s, niet kon schermen met cijfers. Sinds 1986 rekent het CPB verkiezingsprogramma’s door: de uitslagen van die exercitie domineerden jarenlang de grote verkiezingsdebatten. In 2013 kondigde het Planbureau gelukkig aan om gedeeltelijk te stoppen met deze praktijk, omdat het te veel tijd kostte en de berekeningen te ingewikkeld werden.

 ***

Kritiek op de mening van wetenschappers, experts of onafhankelijke onderzoeksbureaus vervalt al snel in een soort samenzweringstheorie. Discussie over de waar- of onwaarheid van rapporten wordt meteen doodgeslagen door te stellen dat de wereld één groot old-boys-network is, waar iedereen elkaar voortdurend de hand boven het hoofd houdt. Daar zal zeker een kern van waarheid in zitten – de politiek en financiële sector zijn nauw verweven, zo blijkt uit Dit kan niet waar zijn – maar ook op meer rationele gronden is kritiek te geven op de neiging risico’s en onzekerheden uit het maatschappelijk debat te filteren.

Wetenschap brengt namelijk, aldus filosoof Karl Popper, per definitie geen zekere kennis voort over de toekomst. Falsificatie is volgens hem de enige manier om een theorie of hypothese te toetsen. Het klassieke voorbeeld is als volgt: je ziet 100 zwarte zwanen en concludeert daarom dat alle zwanen zwart zijn. Dat lijkt een zekere en ware uitspraak, totdat je één witte zwaan tegenkomt, en je theorie de prullenbank in moet.

Voorspellingen over de toekomst zijn dus per definitie onzeker, totdat het tegendeel bewezen is. In het zwanenvoorbeeld is die falsificatie niet zo’n probleem, maar vervang de zwanen door, pak ‘m beet, de hoogte van dijken, en het is knap vervelend als het tegendeel van je theorie wordt bewezen door een onvoorziene dijkdoorbraak.

In de geesteswetenschappen is die onzekerheid over eigen theorieën gemeengoed. Zo zijn er maar weinig historische kwesties waar werkelijk consensus over bestaat: de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog is bijvoorbeeld nog altijd aanleiding voor een fel historisch debat.

Daarentegen heerst er in de huidige maatschappij een taboe op twijfel, op onzekerheid en op risico. Dat onzekerheden en risico’s inherent bij het bestaan horen, hoeft geen enkel probleem te zijn, zolang we ze maar accepteren en erkennen. Toezichthouders moeten (en kunnen) niet voorkomen dat er ooit nog banken failliet gaan, en met nog meer regels en toezicht moet (en kan) een volgende vliegtuigramp niet worden voorkomen.

Het wachten is op een politicus die zegt: ‘Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik denk dat dit het beste beleid is en wel om deze redenen.’ Op de econoom die toegeeft dat de vergrijzing in de toekomst waarschijnlijk een probleem is, maar dat er eigenlijk weinig met zekerheid over valt te zeggen. Of op de directeur van Schiphol die hoopt dat de uitbreiding van Lelystad Airport 2400 nieuwe banen oplevert in 2040, maar dat het er ook 5000 of 1000 kunnen zijn. Kortom: op iemand die vrij naar Descartes zegt ‘ik twijfel, dus ik besta’.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *